STOMME KLEREN

Op een zonnige zondagochtend in de late herfst zijn we aan het werk in de tuin. Onze twee oudste kinderen (8 en 5 op dat moment) zijn aan het spelen en helpen af en toe mee. De jongste hobbelt er onwennig tussendoor, want ze kan net lopen.

Terwijl vrienden onze tuin in lopen voor een bakkie, horen we aan de andere kant van de heg dat onze buren ook in de tuin bezig zijn. De achterkant van onze tuinen grenzen aan een stukje boomwal en opeens staat de buurvrouw daar met een grote vuilniszak: ‘Uhh, hallo, zou het kunnen dat deze zak bij jullie vandaan komt? Hij stond bij ons achter het tuinhuis, en het lijkt dat er spullen van jullie in zitten.’ Verbaasd kijk ik op, ik liep nog wat op te ruimen terwijl er koffie werd gemaakt, en loop naar haar toe: ‘Geen idee, wat zit erin dan?’ ‘Nou, dat moet je zelf maar even bekijken,’ zegt ze.

Nieuwsgierig open ik de vuilniszak en mijn mond valt open. Een hele zak vol met kinderkleren van onze oudste 2 dochters! Ik herken ze natuurlijk direct, dus ik zeg tegen haar: ‘Ja, die zijn van ons, hoe komt die zak daar?’. Daar had de buuf uiteraard ook geen antwoord op, en er begon bij mij een lichtje te branden. Onze oudste, nogal eigenzinnig op kleding gebied, had een dag of 10 daarvoor tegen mij gezegd dat ze een aantal kledingstukken niet meer mooi vond. Maar ze waren nog prima en ik vond ze wel mooi, dus ik had tegen haar gezegd: ‘Ze zijn nog prima, laat ze nog maar gewoon in je kast liggen. ‘ Blijkbaar zinde haar dat niet, want ze lagen in deze zak, samen met een aantal kledingstukken van haar jongere zus.

En nu waren ze dus gevonden door de buurvrouw. Ik bedank haar en neem de zak mee naar het terras, nog steeds helemaal verbaasd over wat ze hebben uitgespookt. Maar ik moet ook van binnen heel hard lachen over zoveel eigenwijsheid en tegelijkertijd de kinderlijke naïviteit om te denken dat de zak niet gevonden zal worden achter het tuinhuis van de buren.

Ik zet de vuilniszak op het terras en roep de dames. ‘Ik heb hier wat voor jullie,’ zeg ik. ‘Kijk maar eens in deze zak.’ De oudste vertrouwt het niet helemaal en kijkt me twijfelend aan, alsof ze nattigheid ruikt. De jongste is wat enthousiaster en grijpt naar de zak. Samen kijken ze in de zak en ik zie hun gezichten betrekken. ‘Oh,’ zeggen ze alletwee. ‘Weten jullie waar deze zak vandaan komt?’ vraag ik.

‘Nou, ik moest meedoen van haar,’ zegt de jongste direct met een gezicht waar de onschuld vanaf druipt, en ze wijst met haar duim naar haar oudere zus, ‘ze durfde niet alleen.’

‘Oh, vertel?’ vraag ik door. De oudste kijkt me aan en zegt timide: ‘Ja, dat klopt. We vinden deze kleren niet meer mooi, dus we dachten, we verstoppen ze. Dan vergeet je ze wel.’

Hmm, dat is interessant. Onze vrienden schieten in de lach maar onze dochters voelen zich betrapt, dus staan er wat beteuterd bij.

‘En nu?’ vraag ik hen. Ze halen hun schouders op en zeggen half schuldig, half gemeend: ‘We vinden die kleren stom, mam.’ ‘Ja, dat is me wel duidelijk, maar achter het tuinhuis lijkt me niet zo’n goede plek. Wat vinden jullie?’

Eerlijk gezegd vind ik het fantastisch dat ze zich niet gek lieten maken door wat ik mooi vind. En vooral heel zoet dat ze dit als oplossing bedachten, zo heerlijk naïef en onvermurwbaar tegelijk. We worden het eens: deze kleren kunnen beter naar kindjes die er wél blij mee zijn.  Dus ritueel brengen we de volgende dag de kleding naar de kledingcontainer. Ik probeer ze nog wat te leren over dankbaarheid en niet zomaar kleren die je niet meer wilt weggooien in n vuilniszak achterin de tuin enzovoort enzovoort. Maar mijn oudste kijkt me triomfantelijk aan en zegt: ‘Ja mam, dat snap ik allemaal wel, maar anders was me dit nooit gelukt.’